Hij en Amos – ‘vorstelijk leven’

Conviviumdag 2017

‘Als een meester een beeld maakt uit hout of steen, dan brengt hij het beeld niet in het hout, maar snijdt hij het overtollige hout weg dat het beeld verborgen en bedekt houdt, hij gééft het hout niets, maar hij graaft de korst ervan af en neemt de roest weg, en dan glanst op wat daaronder verborgen lag. Dit is de schat die verborgen lag in de akker, zoals onze Heer in het evangelie zegt’. Meister Eckhart (ca. 1260 – 1328)

Het was een avond waarvan je het bestaan vaak vergeet. Maar als je deel uitmaakt van zo’n avond, ga je er ook totaal in op. Het was een avond die begon met een frisse zomerregen. Die niet alleen een verkoelende werking had gehad maar ook een voedende werking, dat kon je ruiken. Het was zo’n avond, waarop er eigenlijk niets gebeurde en er vooral geluisterd werd naar de regen op het tentdoek. Hij keek wat om zich heen, en zijn ogen strandden even bij een van de bloemen die hij vandaag had meegenomen voor zijn moeder terwijl hij en zijn vader aan het wandelen waren.

Ze hadden een prachtige dag gehad, een dag met een fel blauwe lucht, geen sprankeltje wolk was te bekennen geweest, ze hadden gelopen en geklommen, gerend maar ook gerust. Tussen de rotsen door en door wat graslandschappen. Op de terugweg had hij een boeketje samen gesteld van Alpendistels, Arnica’s een aantal Lente gentiaans en natuurlijk een paar madeliefje ogende bloemen. Verrukt vervolgde hij het dwaalpad tussen de rotsen door naar de camping. Hij kende het gebied inmiddels als zijn eigen broekzak. Hij wist de plaatsen en de namen van de bloemen, hij wist waar je als het een goede winter was geweest kon zwemmen en hij wist ook waar je het mooist de zon kon zien ondergaan.

Hij had niet alleen de nodige kennis maar ook de nodige rituelen verzameld door de jaren heen. Zo plukte hij altijd als de laatste dag was aangebroken een aantal bloemen en nam hij ze mee. Mee de auto in, de grens over, de garage van stadje Eberbach in, de snelweg op en vervolgens dan echt mee naar huis.

Inmiddels was hij 23 jaar. Hij had elke verwachting proberen waar te maken, en dat waren er ook nogal wat. Hij was de jongen die een soort vertrouwen met zich mee te slepen als een mantel: ik ga het maken. Op de middelbare school al hadden vrienden dat tegen hem gezegd. Vervolgens was hij begonnen aan International Economics, want hij moest en zou het ook gaan worden: een grootse, rijke, maar bovenal inspirerende leider van een groot bedrijf.

Net als zijn vader was. Zijn vader was niet alleen gepromoveerd binnen de klinische psychologie maar had ook een eigen kliniek voor Angst en Dwangstoornissen opgebouwd en kon het zich nu veroorloven om in een huis op een prachtig stuk grond te wonen net buiten Wageningen-Hoog. Toen zijn vader had gehoord dat hij op stage mocht bij de Stock Exchange Tower, op de hoek van Threadneedle Street en Old Broad Street in London had hij hem met tranige ogen aangekeken terwijl hij zei: ‘Ik ben echt heel trots op je jongen, ik ben echt heel trots’. Hij werd de man van de City. Ook hij zou daar weer opnieuw moeten beginnen, dus als Broker. Hij zou zich bezig moeten gaan houden met het handelen in effecten, goederen of waren. Hij zou moeten opboksen tegen de wispelturigheid van de conjunctuur. Die grillige wind die geld als dorre bladeren van de ene goot naar de andere blaast en dus niet perse zijn kant op. Hij wilde zoveel mogelijk bladeren hebben, hij was dan ook een ijverige man. Vegen zou hij, zoveel mogelijk bladeren op een hoop. Dan mag de helft vervolgens wel weer weg waaien maar dan bleef hij toch een rijk man.

Hij was trots op zijn arbeidsethos. Hij droeg wat bij aan de maatschappij. Hij hield hem draaiende. Hij vulde de stroom aan. De levensstroom van geld die de maatschappij bezielde. Toen hij als kind aangaf graag piano te willen spelen had zijn vader tegen hem gezegd, zijn vader had toen gezegd dat muziek maken een nobele bezigheid is. Maar iets voor wie zich vervelen, die niet genoeg werk kunnen doen. Werken was immers de mensheid verrijken.

Al snel kwam de jonge Broker in contact met Amos. Amos was een ander mens, een ander soort mens dan hij tot dan toe had ontmoet. Waar hij zichzelf dag in dag uit verloor in zijn werk, was Amos iemand die vooral de vruchten plukte van de lening die hij had afgesloten om te studeren. Hij was een kunstenaar, studeerde wat filosofie en deed eigenlijk van alles. Van alles wat hij niet deed. Zo kon Amos huilen om een gedicht, piano spelen als Chopin maar ook zo enthousiast zijn dat zijn 24 jarig leeftijd als een mantel van hem af viel en er weer iets kinderlijks op zijn gezicht verscheen.

Hij was veel uitgedaagd in het leven. Dat was ook altijd zijn doel geweest. Hij had uitdagingen altijd aangepakt, zo kwam hij ook in Londen terecht.  Maar Amos wist hem op een andere manier uit te dagen. Amos wist door zijn mantel heen te prikken. Hem te ontbloten zonder zijn peper dure kleding uit te doen. Alleen al door te vertellen over de vertwijfelingen van Heidegger en over de zwerftochten van Nietzsche. Amos zag er altijd wat slordig uit en was ook een beetje onverzorgd. Hij was immers een kunstenaar. Hij wist dat de orde altijd weer moet herrijzen uit chaos. Ook dit stond recht tegenover hem. Hij was altijd verzorgd, wist precies wat de modetrends waren en kleedde zich daar ook naar. Door zijn werk had hij al snel een flink kapitaal opgebouwd en kon ook hij het zich veroorloven om naar een duurder appartement te gaan en een auto aan te schaffen. Hij verwonderde zich over de vriendschap die Amos en hij hadden. Hoe konden twee zielen die zo uiteen liepen toch zo dicht bij elkaar komen. Een vriendschap onthult altijd wat aan beide zielen, ondanks de paradoxen die lijken te bestaan over de tegenstellingen van hun karakters. Als een soort eenheid in de verscheidenheid. Hij snapte hier vaak niets van.

Na een jaar werken – ja, werken was wat hij vol hartstocht had gedaan – nam hij voor het eerst vakantie. Hij was op, hij was klaar en zijn lichaam smeekte hem om rust. Twee weken ging hij weg. Hij vroeg Amos mee. Zo vervingen zij de eenentwintigste -eeuwse torens van de City voor de eeuwen oude rotsen van Alpen.

Amos had gezien dat hij op was. En had hem ooit lachend gezegd ‘Vrekken zoals jij geloven niet in een toekomstig leven he? Je leeft van dag tot dag, het heden is alles voor jou. Om maar te kunnen plukken wat je plukken kan’. ‘Om maar te plukken wat je plukken kan’. Die woorden suisden nog steeds door zijn hoofd. Amos had amper genoeg geld gehad om de reis te financieren. Dus hij besloot hem tegemoet te komen. Hij zou Amos wat geld lenen om zijn het verblijf te kunnen betalen. Deze verdeling was prima. Normaal gesproken had hij wat meer moeite met vrienden die geld leenden maar dit kon kennelijk prima. Toch ergerde hij zich ook wel eens aan Amos. Wat natuurlijk niet te vermijden was, bij twee personen zo verschillende van elkaar.

Ze waren gaan wandelen en hij besloot het toch eens aan Amos te vragen. Wat is dat toch met ons, Amos? Amos keek op, en keek hem even recht in zijn ogen. Hij zag zijn gezicht en het landschap om hem heen weerspiegelen in zijn bruine ogen. ‘Wat bedoel je?’ zei Amos. ‘We leven zo verschillend, ik in alle rijkdom jij in al armoe, maar toch zijn we zo goed bevriend’. Amos lachte wat en staarde toen in de verte. Hij staarde wat naar de grond en het was even stil toen ze doorliepen. Hij plukte wat bloemen en Amos keek om zich heen vanuit een soort vrede die hem heel erg eigen was. Het was een hele tevreden vrede. Hij kende die blik. Het was een blik waar hij erg jaloers op was. ‘Lieve vriend’ zei Amos. Ik stond weer op van het op mijn hurken zitten. En keek Amos aan met de bloemen in mijn handen. ‘Dit is precies wat ons verschilt. Jij vindt bloemen en wilt ze plukken. Ik vind bloemen, ik bekijk ze, ik bestudeer ze maar ik zal ze nooit pakken. Ik zal ze nooit uit hun grond rukken. Juist dat onderscheid is wat ons nog scheidt. Niet jij maar ik leef hier het vorstelijke leven.’

En zo reden ze weer terug. Hij met zijn boeketje samen gesteld van Alpendistels, Arnica’s een aantal Lente genitiaans en natuurlijk een paar madeliefje ogende bloemen. Mee de auto in, de grens over, de garage van stadje Eberbach in, de snelweg op en vervolgens dan echt mee naar huis.

Eenmaal thuis keek hij naar de bloemen die hij plukte. Hij zag bloemen die hem deden denken aan de weides vol Alpendistels, Arnica’s een aantal Lente genitiaans en natuurlijk een paar madeliefje ogende bloemen. Maar wat hij voor zich had waren bloemen die gestorven waren, die verschrompeld waren. Misschien wel dood gebloed, voor zo ver dat kan met bloemen. Voor het eerst in zijn leven, had hij de behoefte om even niet werken. Maar om stil te zijn en na te denken. Muziek te luisteren en wat literatuur te lezen. Geen literatuur over de bezielde stromen van het geld maar over andere stromen die hem alleen maar had aangeraakt en verder niets.

Vanaf die dag hoefde hij het niet meer te worden, want hij besefte dat hij het al was. Hij hoefde niet meer de samenleving te bezielen want hij merkte dat het al bezield was.  Hij hoefde rijkdom niet meer te verwerven want hij was al rijk geboren.

Hij bezat alles behalve een naam, want hij was wat verwacht werd en hij deed wat hem gezegd werd. En Amos? O ja Amos, zijn naam betekent dragende.

Muziek: Bon Iver – 715 – CR∑∑KS

Deze tekst vormde het liturgisch moment op de conviviumdag 2017 (thema: ‘vorstelijk’)
Jesse Wijlhuizen is bewoner van convivium Tout Passe